U bevindt zich hier: Home Proza Ontmaagding van de stoel
Janine Jongsma
Ontmaagding van de stoel



Hij stond net in de deuropening toen ze hem al toebeet: “Hoe vaak moet ik nog zeggen, schoenen uit vóórdat je binnenkomt? Wanneer leer je nu eens te luisteren naar mij?”
Hij schopte zijn schoenen uit en liep richting keuken, bedacht zich, draaide weer om en rangschikte de zijne keurig op het rekje naast die van haar. Terwijl hij wederom richting keuken liep keek hij mistroostig naar de dichte deur van de voorkamer.
Daar stond al jarenlang een prachtig grote fauteuil, nog nieuw en ongebruikt. Het ding had hem een rib uit zijn lijf gekost maar hij had hem per se willen hebben.
Destijds in de winkel had hij zichzelf al elke avond zien wegzakken in de zacht lederen bekleding, om na een dag hard werken van zijn welverdiende rust te genieten. Hij wist zich nog precies het zaligmakende gevoel te herinneren toen hij er de eerste keer in ging zitten, alsof hij plots een man met macht was, alleen een dikke sigaar ontbrak nog. Zonder er bij na te denken was hij tot de aankoop overgegaan. Thuis had hij enthousiast tegen zijn vrouw verteld dat er over drie weken een pracht van een fauteuil geleverd zou worden. Ze had hem aangekeken alsof hij niet goed bij zijn hoofd was en gevraagd waar hij het lef vandaan haalde om zonder haar zo’n beslissing te nemen? Zij wilde er überhaupt niets van weten, vond het hele idee onzinnig en hem en zijn aankoop decadent. Ze eiste dat hij terug ging naar de winkel om de aankoop te annuleren. Bij de ruzie die daarop volgde had hij voet bij stuk gehouden, hij wist zelf ook niet waar hij de moed vandaan haalde om haar zo tegen het harnas in te jagen. Maar hij was bij zijn standpunt gebleven.
“De stoel komt er en daarmee uit.” Uiteindelijk capituleerde ze en had spottend gezegd: “Goed, als dit is wat je wilt, dan zul je het krijgen ook.”

Vanaf dat moment ging ze in de contramine, ze verhuisde naar de logeerkamer, sprak geen woord meer tegen hem en voerde niets meer uit. Hij kwam terecht in de levende nachtmerrie van een man met twee linkerhanden en niemand die voor hem zorgde. In het begin probeerde hij nog met vriendelijk vragen, haar zover te krijgen dat ze zou ontdooien maar ze gaf geen krimp. Op het laatst smeekte hij haar om hem te helpen, desnoods door aan hem uit te leggen hoe hij het zelf kon doen, maar het had geen enkele zin, ze liep gewoon de kamer uit.
Na twee weken had hij niet één schoon, gestreken overhemd meer. ’s Avonds bij thuiskomst moest hij een boterham smeren voor zichzelf.
Het bed begon onfris te ruiken aangezien ze het niet meer verschoonde. Na het douchen moest hij zich afdrogen met een smoezelige, gebruikte handdoek want wassen deed ze niet meer. Het aanrecht stond vol afwas, een schoon kopje was niet meer te vinden. Op huishoudelijk gebied was hij totaal onbeholpen, hij had werkelijk geen flauw besef waar hij zou moeten beginnen. Er zat niets anders op dan het maar lijdzaam te ondergaan, kwaad worden zat niet in zijn aard.

Drie weken later arriveerde de stoel zoals afgesproken. Meteen nam zij met een zuur gezicht de leiding, wees hem waar het ‘ding’ moest komen te staan en deed voor het eerst haar mond weer open. Ze vertelde hem klip en klaar dat een dergelijk duur meubelstuk niet aan hen besteed was. Maar aangezien er geen weg terug was zouden ze er zuinig mee omgaan en er niet in gaan zitten. Volgens haar was het een bakbeest, een ‘sta in de weg’. De aankoop zou ze beschouwen als een domme dwaling van zijn kant en dan zouden ze er verder niet meer over spreken. Hij ging met alles akkoord, was na drie weken murw geslagen en bereid tot overgave, zolang ze in Godsnaam maar weer het huishouden ging doen. Zodoende stond de stoel al achttien jaar onaangeroerd in de hoek van de kamer. Iedere avond als hij op de oude kuipstoel voor de tv zat dan lonkte de stoel hem. Achttien jaar oud, maar hij zag er nog piekfijn uit. Het leer glansde hem tegemoet, het zachte kussen smeekte hem om te komen zitten. Maar hij deed het niet, hij durfde niet, was doodsbenauwd voor haar. Hij had zijn lesje geleerd. Wat was hij toch een vreselijke slapjanus dat hij niet tegen haar in durfde te gaan.

In de keuken rook het naar bloemkool en naar gesudderde verse worst.
Hij had eens voorzichtig geopperd dat niet al het vlees behoorde te sudderen van
’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.
Sarcastisch had ze toen gevraagd of hij nu óók al verstand had van koken. Toen bond hij snel in en zei dat hij er niets mee bedoelde, dat ze heerlijk kookte.
Hij nam plaats op het krukje aan de kleine keukentafel, stootte zijn knie en begon zijn aardappels te prakken. Bij de eerste hap proefde hij dat ze weer geen zout had gebruikt, het was nog steeds de vraag of ze het vergat of dat ze het opzettelijk deed om hem op stang te jagen. Ze wist dat hij zijn eten kraak noch smaak vond hebben zonder toevoeging van zout.
De keren dat hij haar hierop had aangesproken waren uitgedraaid op een hele tirade over zijn ondankbaarheid jegens haar.
Beter was het om niets te zeggen, zijn gedachten dwaalde weer af.

Zijn vader had vroeger een grote, hoge rookstoel gehad die een prominente plaats in de kamer in nam. Zondags rookte hij daar zijn sigaren, deed een middagdutje of verkondigde zijn mening over politiek, voetbal of de belastingen. Gepaard gaande met stemverheffing, veel harde taal en weidse gebaren, leek hij in eerste instantie nog redelijk te volgen maar naar gelang de hoeveelheid drank werd dit steeds meer onsamenhangend. Ooms en tantes luisterden met rode konen, ademloos naar zijn pa en knikten instemmend als zijn blik toevallig op hen viel. Hij verdacht het bezoek ervan alleen maar te komen omdat de drank rijkelijk vloeide bij hen thuis en dat ze zijn pa met zijn eeuwige gezeur, op de koop toenamen. De stoel was heilig voor zijn moeder, hij en zijn broers mochten er alleen maar naar kijken. Hij was er eens ingekropen als klein kind om er meteen door moeder met harde hand uit gesleurd te worden. Hij had het nooit meer geprobeerd. Moeder boende het hout regelmatig en klopte het grote, bruine, fluwelen kussen op. Dat het kussen lelijke slijtplekken vertoonde en de spijlen van de rugleuning er stelselmatig uit vielen, deerde niemand. De stoel vertegenwoordigde zijn pa: robuust, ontzagwekkend, ruikend naar sigaren, geveld door slijtage, maar prominent en onheilspellend aanwezig. Hij had in zijn eigen huis ook een eigen stoel in het midden van de kamer gewild, pal voor de tv maar dan een mooiere van duur leer. Een veel mooiere dan zijn pa, waar hij dan in zat als hoofd van het gezin. Waar hij aan iedereen de lakens mocht uitdelen. Zo had hij het zich voorgesteld maar hij had beter moeten weten want daar werd hij nu nog voor gestraft.

De eerste jaren van hun huwelijk waren nog redelijk geweest. Zij gaf bevelen, hij voerde ze uit, zoals zijn pa vroeger bevelen gaf aan zijn moeder. Het schepte dezelfde orde die er heerste bij zijn ouders thuis en daar was hij mee vertrouwd. Haar bazigheid vond hij in het begin nog prettig, het kwam zo solide over. Heel anders dan hij, maar hij kon zich aan haar optrekken, hoopte dat iets van haar felle persoonlijkheid op hem zou afstralen. Zij was ook de enige die niet bang was geweest voor zijn pa, schijnbaar had die ouwe daar respect voor gehad want ze kregen vrij snel toestemming om te trouwen. Maar na het stoel debacle had ze de touwtjes heel strak aangetrokken. Hij mocht niet meer roken in huis want dat vond ze vies, ze kocht geen lekkere dingen meer voor bij de thee want die waren te duur. Toen een jaar later, tot overmaat van ramp, bleek dat hij niet in staat was om kinderen te verwekken was dat de druppel. Ze veranderde voorgoed in een verbitterde en boosaardige kenau, die hem er om de haverklap aan herinnerde dat hij geen ‘echte’ vent was door iedere vorm van genegenheid te weigeren.
Een paar maanden later werd de drank uit huis verbannen, zijn borreltje op zaterdagavond waar hij zo van genoot werd vervangen door een onaangenaam smakende thee, onder het mom van; het was beter voor zijn gezondheid. Gedwee ging hij overal in mee, zolang zij tevreden was maakte ze ook geen ruzie en dat was hem veel, zo niet alles waard.

“Vandaag wéér de hele dag op je luie gat gezeten?”, klonk het plots.
Hij schrok op uit zijn overpeinzingen “het was rustig, ja”, mompelde hij.
“Jij? Jij hebt een luizenleventje! De hele dag niks uitvoeren op kantoor, thuis je natje en je droogje en op de koop toe nog geld krijgen!”, snoof ze, ondertussen een plens waterige jus op zijn aardappels gietende.
“Nee, dan ik! Ik heb het bed verschoond, het koper gepoetst en de was gedaan. Daarna op de fiets door de regen boodschappen gedaan”. Hij zuchtte en keek naar haar verbeten gezicht.
”Je weet dat je die niet alleen op de fiets hoeft te doen, we kunnen zaterdags samen met de auto naar de winkel”.
“Nee, zaterdag is het mij véél te druk in de winkel en dan moet jij de tuin doen en de auto wassen, trouwens volgende week moeten we ook naar ons volkstuintje want de bonen moeten er hóógnodig uit.
“Daar heb jíj natuurlijk weer niet aan gedacht, slapjanus?” , sneerde ze met haar mond vol worst en bloemkool.

Hij reageerde niet want hij werd zich opeens bewust van een klodder bloemkoolprut die aan haar mondhoek hing. Hij gruwelde van haar zoals ze daar tegenover hem zat. Met dat norse, akelig spitse gezicht, omlijst met slap piekhaar. Hoewel ze niet veel langer was dan hij en een dun, vormeloos lichaam had, leek het wel alsof ze met de jaren meer toenam in lengte en omvang. Als een steeds groter wordend blok ijskoud graniet, dat hij met geen mogelijkheid omver kon werpen.
Zijn gedachten gingen naar de volkstuin en hij gruwde van het feit dat alle groenten die hij at uit dat tuintje vlak bij het kerkhof kwamen.
Waarom lagen al die verrekte tuintjes altijd in de buurt van kerkhoven? Die van hen grensde zelfs aan het kerkhof! Hij had nooit een dergelijk tuintje gewild maar zij had beslist dat het ideaal was. Hij werkte hard op kantoor en in het weekend ook nog eens in die vervloekte tuin!
Hij kreeg een vieze smaak in zijn mond en duwde het bord van zich af.
Als ze nu maar snel met de vanillevla kwam, dan kon hij daarna achter de krant duiken. Bah, wat hij de pee in zijn leven. Hij dronk vanavond ook niet haar sterke, vieze thee waarvan ze met argusogen in de gaten hield of hij die wel opdronk. Voor de vorm zou hij een paar slokjes nemen en dan kiepte hij het merendeel wel in de plantenbak als ze naar de wc ging. Hij voelde zich plots lekker opstandig worden als een dwarse peuter. Hij haatte zijn leven, hij haatte haar, hij haatte het eeuwige, snibbige gezeur. Maar nog meer haatte hij zichzelf omdat hij niet de moed had om er verandering in te brengen. Hij moest het doen met de kleine pleziertjes in zijn leven, zoals strakjes door het park even naar de brievenbus lopen om een brief te posten en dan onderwijl vlug een sigaretje roken.

Middenin in de nacht werd hij plots wakker van een onbestemd geluid. Hij keek gedesoriënteerd om zich heen. Wat gek dat hij wakker werd, normaal sliep hij heel vast, werd nooit wakker en voelde zich ’s morgens nog doodmoe en suf. Hij wreef zijn ogen uit en zette zijn bril op. Het was kwart over een op de klok. Daar hoorde hij opnieuw geluid, het kwam van beneden leek het, een geroezemoes van stemmen. Naast hem was het bed onbeslapen, hij vroeg zich af wat ze aan het doen was? Ze ging stipt om 23.00uur naar bed, een half uur later dan hij omdat ze geen trek had in zijn gewoel voordat hij als een blok omviel. Althans dat waren haar woorden want hij hoorde haar nooit naar boven komen. Misschien ging ze wel helemaal niet zo vroeg naar bed, maar waarom erover liegen dan? Zachtjes luisterde hij op de overloop, het leek wel alsof de tv aanstond. Hij werd plots akelig kalm, er klopte iets niet, hij voelde het aan zijn water. Wat deed dat mens daar beneden? Vlug deed hij zijn ochtendjas aan en sloop tree voor tree naar beneden, die paar treeën overslaand waarvan hij wist dat ze kraakte. Halverwege de trap, als hij zich flink uitrekte kon hij net door het bovenlicht van de deur, recht in de voorkamer kijken. Voorzichtig rekte hij zich uit en hield zich stevig vast aan de leuning, gespannen keek hij de kamer in. De tv stond aan, een of andere Duitse zender zo te horen. Dat was de herrie die hij boven gehoord had. En toen zag hij het: zijn mooie fauteuil stond pal voor de tv! In achttien jaar nooit verschoven, de poten hadden ondertussen diepe afdrukken in het zeil achter gelaten maar nu stond hij op een andere plek! Niet in de hoek waar hij altijd stond maar recht voor de tv! Hij kon zijn ogen niet geloven, wat bezielde haar? De stoel was leeg, hij vroeg zich af waar ze was. Misschien naar de wc of in de keuken, de deur er naartoe stond op een kier. Zijn hart klopte in zijn keel, zijn ademhaling versnelde, hij kon er met zijn verstand niet bij. Hoe vaak zou ze op zijn stoel voor de tv zitten? Regelmatig? Af en toe? Of vandaag voor het eerst? Hij wist het niet, maar heel vaak kon het niet geweest zijn want de stoel had er niet onder geleden. Je mocht toch verwachten als ze er iedere avond in zat, dat hij dan sporen van gebruik zou hebben gezien?

Hij hoorde in de verte dat de wc werd doorgetrokken, daar kwam ze aan, hij dook met zijn hoofd naar beneden.
Zenuwen gierden door zijn keel toen hij heel langzaam omhoog kwam en heel voorzichtig weer door het raampje keek. Ze zat pontificaal in de stoel, over de rugleuning had ze een handdoek geslagen, natuurlijk om de stoel netjes te houden. De TRUT! Ondanks zijn verkrampte houding en ijskoude voeten zag hij nu wat er op het tafeltje naast haar stond. Zijn ogen puilden uit, het kon toch niet waar zijn? Daar stond een fles drank! Sherry zo te zien, met een glas er naast!
Hij liet zich achterover op de trap zakken en sloeg zijn handen voor zijn ogen. Hoe kon ze?
Al zijn geneugten had ze van hem afgepakt maar ’s avonds als ze alleen was, wèl in zijn stoel gaan zitten met een borrel erbij op de koop toe! Wat een vuil, gemeen kreng. Hij voelde diep van binnen woede opkomen, wie dacht ze wel niet wie ze was? Met meer durf keek hij nu onbekommerd door het raampje.
Zo direct zou hij binnen stormen en haar alles voor de voeten werpen, hij zou eisen dat ze zich voortaan naar hem zou richten.
Hij zou iedere avond in zijn mooie fauteuil voor de tv gaan zitten en dikke sigaren roken en haar commanderen. Dát zou hij doen! Haar eens laten zien wie de man in huis was, verdomme! Plots boog ze voorover dichter naar de tv toe, hij schrok van haar beweging, schoot bijna van de traptree af maar kon zich nog net herstellen. Zijn blik werd als vanzelf naar de beeldbuis getrokken. Een man was aan het zingen, hij begreep niet wat daar zo bijzonder aan was. Zij leek wel gebiologeerd en zat roerloos voor de tv. Hij keek eens goed naar die man, die kwam hem vaag bekend voor. Wie was die vent? Die kende hij toch ergens van? Hij leek sprekend op een jongen die vroeger bij hem op het lyceum had gezeten.  Kom, hoe heette die gast ook alweer, Leo of iets dergelijks en hij zong vroeger in het koor dus dat kon wel kloppen. Waar kende zij die vent van? Waarom was die man zo belangrijk dat ze aan zijn lippen hing? Ze had nooit enigerlei interesse getoond in muziek. Kende hij haar eigenlijk wel? Hij liet het idee varen om naar binnen te stormen. Hij had tijd nodig om te denken, om het te laten bezinken.

Snel sloop hij naar bed, hing de ochtendjas op en legde zijn bril op het nachtkastje, hij zou doen alsof hij sliep. Zijn hart klopte in zijn keel, zijn lichaam stond stijf van de adrenaline. Rustig worden, hij moest eerst rustig worden, anders kon hij niet denken. Zijn gedachten vlogen van links naar rechts, wat verborg ze voor hem? Wat moest ze met die vent op TV? Waar kende zij die van? Hoe lang maakte ze al gebruik van zijn stoel? Waarom was dit hem nooit eerder opgevallen? Wat een vals kreng was het toch! Rustig worden, rustig denken nu. Een strijdplan had hij nodig, hij moest er eerst maar eens achter komen wat hier allemaal achter stak. Morgen, morgen zou hij zich ziek melden op kantoor en ergens wachten tot zij het huis uit was. Ze ging vrijdags altijd naar de kapper en liet watergolf zetten om het slappe piekhaar een beetje toonbaar te krijgen voor het weekend. Dan zou hij het hele huis doorzoeken om meer over haar te weten te komen. Alles wat tegen haar gebruikt kon worden zou hij vinden. Hij moest nu maar eens lef tonen, het was genoeg geweest. Hij voelde zich net Sherlock Holmes en was eigenlijk best tevreden over zichzelf. Alleen al het feit dat zij onwetend was over zijn ontdekking gaf hem een machtig gevoel. Nu, zo alleen in het donker, vond hij het achteraf heel slim van hem dat hij niet onbesuisd naar binnen was gestormd. Nee, dit was beter, veel beter. Eerst onderzoek verrichten, feiten verzamelen en samenvatten in een verslag en van daaruit handelen. Precies wat hij op kantoor deed en waar hij goed in was.
Nu zou hij eens laten zien wat hij in zijn mars had op zijn terrein, na wat hij vanavond had gezien was er geen weg meer terug, zijn hart was een steen geworden. Misschien nog geen graniet maar daar kon aan gewerkt worden. Het tijdperk van de slapjanus was voorbij, alleen wist zij het nog niet. Met een vergenoegd, vals lachje om zijn mond sloot hij zijn ogen.

De volgende morgen stond hij om half tien, een beetje verscholen in het park achter een struik en vlakbij een bankje. Vanaf die plek kon hij goed de huisdeur in de gaten houden. Als er een wandelaar langs kwam dan kon hij nonchalant op het bankje gaan zitten. Zijn auto had hij aan de andere kant van het park geparkeerd. Alles was volgens plan verlopen, zij had niets vreemds aan hem bemerkt. Hij zag dat de stoel weer keurig op zijn plek stond precies met de poten op de deuken in de vloer. Hij was stipt op dezelfde tijd van huis gegaan zoals iedere ochtend en was in zijn auto gestapt. Vanuit een andere wijk had hij in een telefooncel naar zijn werk gebeld om zich ziek te melden. Het voelde als spijbelen en dat was het natuurlijk ook. Toch deed het hem niets, hij had een missie en die moest volbracht worden. Hij stak een sigaret op en vreemd genoeg voelde hij zich kalm, zelfs een beetje opgewekt. Het deed hem ongelooflijk goed om ongehoorzaam te zijn.
Hij kon niet wachten om naar binnen te gaan en haar geheimen bloot te leggen. Daar ging eindelijk de voordeur open. Madame kwam naar buiten en wandelde richting bushalte. Hij wachtte tot ze de hoek om was voordat hij in beweging kwam.

Het was rustig in de straat en hij kon ongezien zijn huis binnen gaan. Eenmaal binnen leek het wel alsof het zonnetje de hele bedompte sfeer verlichtte en precies op zijn fauteuil scheen die hem uitnodigde om te komen zitten. Nee, hij ging op onderzoek uit, dat was nu zijn eerste prioriteit. Maar waar moest hij beginnen? Hij keek de voorkamer rond, in het dressoir was plaats om dingen te verstoppen dus die was als eerste aan de beurt. Snel doorzocht hij de eerste lade maar daar lagen alleen wat kaartspellen, servetten en kaarsen, in de andere lade lag het bestek. Onderin stond het servies. Van de kast in de achterkamer kende hij de inhoud, daar zou ze niets verstoppen. De keuken dan maar? Hij keek in alle kastjes maar kon niets ontdekken wat argwaan zou kunnen opleveren. Hij keek zelfs achter het gordijntje onder het aanrecht waar de emmer met schoonmaakmiddelen stond. Niets te vinden. Hij ging de bijkeuken in, daar stond een oude kast met zijn gereedschap en spullen die ze weinig gebruikten.
Hij sloeg het gereedschap over want daar kwam zij toch niet aan, dat was zijn afdeling. Minutieus doorzocht hij iedere plank, keek zelfs in de doos met schoenpoets maar niets wat hij tegenkwam leek ook maar op zijn minst verdacht. Het enige wat hem vreemd voorkwam was een half lege plank, daar had ooit iets gestaan, maar hij wist niet meer wat.
Hij keek op zijn horloge; een uur verstreken en hij was niets opgeschoten. De kelder dan maar. Hij liep de stenen keldertrap af naar de ruimte die gedeeltelijk onder het huis doorliep.
Hij kwam hier bijna nooit, de ruimte benauwde hem omdat hij vroeger thuis door zijn vader regelmatig in de kelder was opgesloten wanneer hij straf kreeg. Snel knipte hij de lamp aan. Het kleine peertje in de fitting bood niet veel licht maar voldoende om rond te kijken. Hij zag niets bijzonders. Wat lege melkflessen op de plank, veel weckpotten, wat levensmiddelen en de naaimand. Er stond ook een rek met laarzen en schoenen. Verder een stapel oude kranten en schuin tegen de wand stond nog hun oude ledikant, helemaal onder het spinnenrag. Daaronder leek iets te glinsteren dus ging hij dieper de kelder in om eronder te kijken. Als hij het niet dacht; daar verstopte ze dus de sherry. Welja, er lagen zelfs drie flessen waarvan er een was aangesproken.

Hij wilde zich alweer omdraaien toen hij zich plots bedacht. Er klopte iets niet, maar hij wist nog niet wat. Zijn ogen gingen speurend langs alle spullen in de muffe kelder en bleven uiteindelijk rusten op de naaimand. Hij wist het! Die naaimand hoorde op de lege plank te staan van de kast in de bijkeuken, daar had hij altijd gestaan vroeger. Waarom stond die nu opeens in de kelder? Snel griste hij de mand tussen de weckpotten vandaan en opende hem. Er lagen twee doosjes met medicijnen in. Twee keer dezelfde medicijnen, een of ander slaapmiddel leek het, voor zover hij er verstand van had. Hij hield een doosje onder het schijnsel van het peertje: Mevr. de Jager, één tablet voor het slapen gaan, innemen met water. Vreemd, hij wist niet eens dat ze aan slapeloosheid leed. Nog vreemder was dat ze overduidelijk ook niet wilde dat hij het wist. Helemaal onderin lag een stapeltje vergeelde krantenknipsels. Het duurde even voordat hij begreep waarom ze die bewaarde, hij kon er niets interessants aan ontdekken. Pas toen hij de foto zag van die vent, die hij gisteren op tv had gezien, legde hij de link. Boven de foto stond: Lowie Verhagen maakt furore in Duitsland. Op een ander stond: Publiekslieveling Lowie Verhagen verovert Duitsland. Ze waren allemaal in die trant, op één na. Verhagen stond hier samen met een vrouw op de foto maar haar gezicht was onherkenbaar gemaakt. Er was met dikke viltstift overheen gekrast. De kop erboven was: Echtpaar Verhagen voor kort bezoek in Nederland. Er viel iets tussen de knipsels uit op de grond, hij raapte het op, het was een rond stukje foto van een gezicht. In het licht van het peertje zag hij dat het haar gezicht was, achterop stond: Joke achttien jaar. Als in trance legde hij het stukje foto op het zwarte viltstift hoofd van de andere vrouw, het paste precies. Minutenlang staarde hij naar dit plaatje; Joke met die Lowie, het begon hem te dagen. Hij legde alles weer keurig op zijn plaats terug en deed het licht uit.
De krantenknipsels hadden veel onthuld. De slaapmiddelen waren tot nu toe zijn grootste vondst en het leek hem samen met de sherry een gevaarlijke combinatie. Voordat hij ging moest hij nog één ding doen; de stoel inspecteren. Op het oog zag hij er werkelijk niets aan, hij voelde aan het leer dat nog altijd stevig was en glansde als een spiegel. Hij bekeek hem aan alle kanten en voelde met zijn hand tussen de zitting, niets te vinden. In een opwelling trok hij het kussen uit de zitting en draaide het om. Hij bleef stokstijf staan en trok lijkwit weg. Daar had hij zijn bewijs dat ze wel degelijk al jarenlang in zijn stoel zat ’s avonds. De achterkant was van precies hetzelfde leer als de voorkant maar hier zaten kreukels in omdat het middenstuk lichtjes was ingedeukt. Het hele zitvlak was dof van minuscuul kleine scheurtjes en donkerder van kleur dan de voorkant. Zijn stoel, niet nieuw meer maar misbruikt. Het interesseerde hem geen moer dat ze een geheime liefde koesterde voor een andere vent, of dat ze zich kapot dronk aan de sherry, het zou hem allemaal worst wezen. Maar dat ze zijn stoel had ontmaagd, zijn prachtige fauteuil had gescandeerd, daarvoor zou ze boeten! Hij bevroor van binnen tot een onverwoestbaar, metersgroot blok graniet.
Hij wist genoeg, zorgvuldig duwde hij de zitting weer op zijn plaats en verliet geruisloos het huis.
Onderweg naar de parkeerplaats bleef hij zich maar afvragen waarom het hem nooit was opgevallen dat ze al die jaren de stoel voor zichzelf gebruikte. In zijn argeloosheid was hij er vanuit gegaan dat zij net als hij, de stoel als een pronkstuk in de kamer beschouwde, iets waar je geen gebruik van maakte.
Maar dat was het niet alleen, ook het feit dat ze ’s avonds aan de sherry zat en dan die vent die schijnbaar een rol had gespeeld in haar leven van wie hij niets van af wist, het hield hem toch bezig. En dan de lading slaapmiddelen, verstopt in de naaimand, wat was daar de reden van?
Waarom zou ze die verborgen houden voor hem, terwijl het geen verschil zou uitmaken als hij daarvan op de hoogte was. Tenzij, tenzij het wel degelijk verschil zou uitmaken als hij op de hoogte was omdat ze die troep niet voor zichzelf gebruikte maar er misbruik van maakte! Er hem mee drogeerde! Natuurlijk, dat was het! Als ze hem iedere avond zo’n pil gaf dan kon ze ongestoord in zijn stoel voor de tv zitten, sherry’tjes drinken en hopen dat er een uitzending kwam van die kwal Verhagen.
Alle kwartjes begonnen op hun plaats te vallen; de vieze, bittere thee ’s avonds die hij per se van haar op moest drinken, het daarna als een blok in slaap vallen en nooit ’s nachts eens wakker worden, zelfs niet om te plassen. En dan het loodzware gevoel in zijn hoofd als
’s ochtends de wekker afging en zijn kurkdroge plakkerige mond. Prompt de eerste keer dat hij de thee had omgekiept in de plantenbak, was hij wakker geworden van het geluid van de tv. Zijn onderzoek was klaar, de feiten verzameld en het verslag ‘Joke’ vertelde een weerzinwekkend verhaal. Nu kon hij zijn plan opstellen en er naar handelen.

Twee weken later

De crematie werd door een handjevol mensen bezocht. Wat buurtbewoners, collega’s, de huisarts en wat verre familieleden. Cremeren was wettelijk gelijk gesteld aan begraven maar vrij ongebruikelijk, doch de weduwnaar had dit zo gewild, was hier zéér stellig in geweest. En waarom niet? De man had al genoeg geleden en zij beiden waren geen kerkgangers geweest. Niemand had verwacht dat Joke de Jager zelfmoord zou plegen, een dergelijk krachtige vrouw in de bloei van haar leven! Ze had een overdosis aan slaapmiddelen weggespoeld met een fles sherry. Het was natuurlijk wel een apart type geweest, stug en op zichzelf, maar zoiets gunde je geen mens. Haar arme man had haar ’s ochtends gevonden, vreselijk toch! Schijnbaar was ze nooit over het verdriet van hun kinderloosheid heen gekomen. Hij bleef nu eenzaam en alleen achter, wie moest er nu voor hem zorgen? Ze hadden geen contact meer met directe familieleden en vrienden hadden ze nooit gehad. De huisarts stond wat ongemakkelijk met zijn voeten te schuifelen. Hij zou zich nog wel een tweede keer bedenken om een patiënt jarenlang slaapmiddelen voor te schrijven, was de algemene opinie. Men was onder de indruk van de afscheidswoorden van haar man: “Mijn allerliefste Joke, dankjewel voor onze mooie jaren samen, ik zal je vreselijk missen. Je as zal ik uitstrooien over je geliefde volkstuintje waar je zo graag in werkte, dan lig je toch nog een beetje in de buurt bij je ouders op het kerkhof”. Meer had hij niet gezegd omdat hij toen door verdriet overmand werd, schokschouderde en zijn gezicht in een grimas trok en hij snel de handen ervoor sloeg.

Een maand later was hij met de zitting van de stoel bij de meubelmakerij. De naad was kapot en moest opnieuw gestikt worden. De meubelmaker vond het vreemd dat de man erop stond om bij de reparatie aanwezig te zijn. Maar goed, hij betaalde er flink voor dus zijn zegen had hij. Hij scheen nogal verknocht te zijn aan die zitting want hij ging er bijna liefdevol mee om. Vreemde snuiters had je toch op de wereld. Hij maakte de naad weer keurig netjes dicht en liet de man uit, die zo blij als een kind vertrok met de zitting onder zijn armen.

Hij legde de zitting behoedzaam op de eetkamertafel. Met licht verende tred liep hij naar de keuken, het was tijd voor de apotheose. Terwijl hij de koffiebonen aan het malen was neuriede hij zachtjes voor zich uit. Hij was een genie, alles was volgens plan verlopen, geen mens had er iets achter gezocht. Hij was nu de arme weduwnaar die zich er zo kranig doorheen sloeg. Hij grinnikte; wat had hij ze allemaal voor de gek gehouden! Zelfs de dokter die uit bezorgdheid al drie keer op bezoek was geweest, had alleen maar medeleven betoond. Hij nam de gloeiend hete koffie mee de voorkamer in en ging aan de eettafel zitten, pal voor de lederen stoelzitting. Hij stak een sigaret op en dronk genietend van de koffie, het moment zolang mogelijk rekkende. Hij keek de stoelzitting recht aan en zei: “Wel Joke, zullen we dan maar? Je had toch niet echt verwacht dat ik je as zou uitstrooien over ons volkstuintje hè? De groenten smaken zo al smerig genoeg.” Hij lachte hardop, een bevrijdende schaterlach. “Nee, jouw geliefde tuintje is het eerste wat ik van de hand doe. Hoe voelt het nu om niet meer dan as te zijn? Je vond het verbranden van een lijk toch zo’n luguber idee? Nieuwerwetse onzin noemde je het.” Hij boog dichter naar de zitting toe. “Dat is je straf voor het ontmaagden van mijn mooie fauteuil, KRENG! Ik had die stoel gekocht, hij was van mij, je had er met je poten vanaf moeten blijven! Mens, wat schrok je toen ik die avond zo onverwacht achter je stond en jij je tegoed deed aan de sherry. Je zat niets vermoedend te nippen en lag heerlijk in mijn stoel! Dacht je nu werkelijk dat ik je ongestraft, achttien jaar van mijn stoel zou laten genieten terwijl je mij verbood om erin te zitten? Ja, dat dacht je, omdat ik inderdaad zo’n weekdier was die nooit tegen jou in opstand kwam. Je had niet verwacht van mij dat ik je door had hè? Ik wist alles stom mens! Van de medicijnen in de naaimand en de plek waar jij de sherry verborg. Jij ging ervan uit dat ik toch niet in de kelder kwam, dat was je grootste fout. Waarom heb je mij jarenlang laten boeten voor iets waar ik part noch deel aan had? Ja, inmiddels weet ik het antwoord, al sloeg je tong aardig dubbel toen je me het hele verhaal voor de voeten gooide. Lowie Verhagen was er met je beste vriendin vandoor gegaan terwijl jij al jaren verliefd op hem was. Hij wist dat je verliefd op hem was, dat had mooie Annie hem verteld en samen hadden ze daar groot plezier om gehad. Lowie had een beetje met je geflirt en jij had dat buitensporig geromantiseerd. Arme, domme Joke. Hij brak je hart en zij verraadde jou; haar beste vriendin toen ze hun verloving aankondigde.
Toen je hoorde van hun voornemen om te gaan trouwen werd jij bang om over te blijven als een oude vrijster want moeders mooiste was je niet. Je was stikjaloers op mooie Annie die stralend naast de knappe Lowie stond op hun verlovingsfeest. Jij had naast Lowie moeten staan en niet mooie Annie. Het geluk lachte hen toe want zijn zangcarrière zat in de lift in Duitsland. Jij wilde niet voor hen onderdoen, dus trouwde je maar met de eerste de beste, de grootste slapjanus uit de familie de Jager. Helaas was die zo slap dat hij niet eens kinderen kon verwekken. Dat heb je me nooit vergeven. Iedereen verpestte jouw leven, dus verpestte jij dat van mij.” Hij stak een nieuwe sigaret op en blies een wolk rook naar de zitting.

“Weet je wat ik van die avond het mooiste moment vond? Toen ik je doodkalm vertelde dat je in hetzelfde uur nog zou sterven en dat ik daar alleen maar een handje bij zou hoeven te helpen. Je daagde me met je ogen uit om je eigenhandig te vermoorden maar dat was niet nodig hè? In tegenstelling tot jou, werk ik mijn plannen wel tot in de details uit. Pas toen ik je vertelde dat ik de halve fles sherry, die je al naar binnen had gegoten vermengd had met twintig slaaptabletten, ging je spottende blik over in doodsangst.” Hij sloeg van plezier met zijn handen op zijn knieën.
“Halleluja, mijn triomf voor achttien jaar onderdrukking! Waar blijf je nu met je ‘slapjanus’? Ik heb puur geluk gehad dat je niet in de gaten had, dat de sherry een bittere nasmaak had. Dat was de enige zwakke schakel in mijn plan maar goed, een mens moet ook wat geluk hebben in zijn leven. Ik hoefde niet veel meer te doen, alleen toekijken hoe jij probeerde om uit de stoel overeind te komen. Ik weet zeker dat je me hebt zien lachen bij al je verwoede pogingen waarbij je steeds terugviel. Ja Joke, ik heb genoten van het schouwspel dat je me bood. Daarna was het een fluitje van een cent. Je was volledig onder zeil en ik heb rustig je mond bedekt en je neus heel zachtjes dicht geknepen en toen was het zo gepiept. Ik ben kalmpjes naar bed gegaan en de volgende morgen heb ik de dokter gebeld, overmand door verdriet.” Hij grijnsde de zitting vrolijk toe. “ Mijn toneelspel was een Oscar waard. En nu ben je weer thuis gekomen. Morgen ga ik in de krant een advertentie zetten voor een nette huishoudster, ik ga iedere avond pal voor de tv zitten met een borrel en een dikke sigaar en die lul van een Lowie met zijn gekweel komt er nooit meer op.” Hij stond op en nam de zitting mee naar de fauteuil. Plechtig schoof hij hem op zijn plek. “Vanaf nu zal ik jou onderdrukken.” Uiterst vergenoegd liet hij zich in de zacht lederen zitting zakken. “Welkom thuis Joke.”

 

Janine Jongsma
© 2010

 
Design by Next Level Design Lizenztyp CC